Herbert Smedema
Herbert Smedema is één van de beëdigde NVM-makelaars en beëdigde taxateurs die ons kantoor telt. Herbert schrijft geregeld een column in de Maas- en Niersbode onder het kopje: Zakelijk actueel. Tevens volgt hij de ontwikkelingen op vastgoedgebied en bericht hierover op deze website.
Print
Baatbelasting straatmeubilair onterecht. Baatbelasting overzicht. Art. 222 Gemeentewet. Bouwgrondbelasting.
Categorie: Algemeen
Gepubliceerd: 1-09-2008
Baatbelasting straatmeubilair onterecht. Baatbelasting overzicht. Art. 222 Gemeentewet. Bouwgrondbelasting.
In het kader van de herinrichting van een gedeelte van de binnenstad heeft de gemeente Leeuwarden sierbestrating aangelegd en straatmeubilair geplaatst. Twee eigenaren van winkelpanden bestrijden de aanslag baatbelasting. Het Gerechtshof in Amsterdam oordeelde dat de onroerende zaken door de bescheiden voorzieningen slechts in een verwaarloosbare mate in een voordeliger positie zijn gekomen, zodat die zaken door die voorzieningen niet zijn gebaat. De Hoge Raad is het daarmee eens.
Uitspraak
Nr. 42.72122 juni 2007
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: het college) te Leeuwarden tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 september 2005, nr. P 04/03100, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in een baatbelasting van de gemeente Leeuwarden.
1. Aanslag en bezwaar
Aan belanghebbende is ter zake van het genot krachtens eigendom van de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de baatbelasting herinrichting binnenstad Leeuwarden fase 1A: Nieuwestad Noord- en Zuidzijde, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk van de gemeente Leeuwarden opgelegdtenbedragevan ƒ 5546,05, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het college is gehandhaafd.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van het college in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Leeuwarden. De uitspraak van dit hof van 22 november 2002 is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004, nr. 39148, BNB 2004/340, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van het college alsmede de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Het college heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.Het college heeft een conclusie van repliek ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 14 september 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.Zowel het college als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
4. Beoordeling van het middel
4.1. In onderdeel 5.4 van zijn uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat de onroerende zaak van belanghebbende door de bescheiden voorzieningen (die het in de onderdelen 5.3.3 en 5.3.4 heeft omschreven) slechts in een verwaarloosbare mate in een voordeliger positie is gekomen, zodat die zaak door die voorzieningen niet is gebaat.
4.2. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het daartegen gerichte middelonderdeel 4 faalt mitsdien.
4.3. Aangezien 's Hofs onder 4.1 weergegeven oordeel zijn beslissing zelfstandig draagt, en blijkens het voorgaande in cassatie stand houdt, behoeft het middel verder geen behandeling en dient het beroep in cassatie ongegrond verklaard te worden.
5. Proceskosten
Het college zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 42722 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
6. Beslissing
De Hoge Raad:verklaart het beroep ongegrond, enveroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1449, derhalve € 724,50, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Leeuwarden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2007.
Van de gemeente Leeuwarden wordt ter zake van het door het college ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 428.
Conclusie
Nr. 42.721Mr. Niessen14 september 2006Derde Kamer BBaatbelasting
Conclusie inzake
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden
tegen
X B.V.
1. Inleiding
1.1. Voor de onderhavige zaak, alsmede de zaken met nummers 42457, 42458, 42459, 42460, 42461, 42462, 42463, 42464, 42465, 42722, 42758 en 42759 is een bijlage opgesteld, welke bijlage onderdeel uitmaakt van deze conclusie.
1.2. De onderhavige zaak heeft betrekking op de baatbelasting herinrichting binnenstad Leeuwarden fase 1A: Nieuwestad Noord- en Zuidzijde, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk.
1.3. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak a-straat 1 te Q. Deze onroerende zaak is gelegen in het heringerichte gebied.
1.4. Aan belanghebbende is ter zake van het genot krachtens eigendom van de onder 1.2 vermelde onroerende zaak een aanslag in de baatbelasting herinrichting binnenstad Leeuwarden fase 1A: Nieuwestad Noord- en Zuidzijde, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk van de gemeente Leeuwarden opgelegd ten bedrage van ƒ 5546,05.
1.5. Aan belanghebbende is eveneens opgelegd een aanslag in de baatbelasting herinrichting binnenstad Leeuwarden fase 1B: Waagplein en omgeving. De Hoge Raad heeft het daartegen gerichte beroep bij arrest van 14 april 2006, nr. 41.170, NTFR 2006/550, gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof vernietigd en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam.
2. Feiten en verordening
2.1. In verband met de voorgenomen herinrichting van een gedeelte van de binnenstad heeft de raad van de gemeente Leeuwarden in een openbare vergadering van 15 maart 1999 vastgesteld het aangevuld bekostigingsbesluit herinrichting binnenstad eerste fase: Nieuwestad Noord- en Zuidzijde, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk (hierna: het Bekostigingsbesluit). In het Bekostigingsbesluit is onder meer bepaald dat de gemeente Leeuwarden de ten laste van de gemeente blijvende kosten van de door of in opdracht van het gemeentebestuur tot stand te brengen voorzieningen in het betreffende gebied voor maximaal ƒ 935.000 via de heffing van een baatbelasting of het aangaan van exploitatieovereenkomsten om kan slaan over genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door deze voorzieningen gebate onroerende zaken. Naar het gerechtshof te Leeuwarden (hierna: Hof Leeuwarden) heeft vastgesteld is het Bekostigingsbesluit gepubliceerd en tevens met de bijbehorende tekeningen ter inzage gelegd.
2.2. Op 15 mei 2000 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden vastgesteld de Verordening op de heffing en invordering van baatbelasting in verband met de herinrichting van de binnenstad fase 1A: Nieuwestad Noord- en Zuidzijde, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk (hierna: de Verordening baatbelasting 2000 fase 1A). De Verordening is, naar Hof Leeuwarden heeft vastgesteld, op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
2.3. Voorts heeft de raad van de gemeente Leeuwarden bij besluit van 15 mei 2000 de onroerende zaken aangewezen die volgens hem zijn gebaat en besloten in welke mate de aan de voorzieningen verbonden kosten zullen worden verhaald.
2.4. In het kader van fase 1 van de herinrichting van de binnenstad is sierbestrating aangebracht en straatmeubilair (te weten: roestvrijstalen fietsenrekken en roestvrijstalen prullenbakken) geplaatst.
3. Procesverloop
3.1. Met dagtekening 30 november 2000 is aan belanghebbende ter zake van het genot krachtens eigendom van de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de baatbelasting herinrichting binnenstad Leeuwarden fase 1A: Nieuwestad, Oude Doelesteeg en Wirdumerdijk opgelegd ten bedrage van ƒ 5546,05.
3.2. Het door belanghebbende tegen die aanslag gemaakte bezwaar is bij uitspraak van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (hierna: B en W), gedagtekend 12 maart 2001, afgewezen.
3.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak op bezwaar beroep aangetekend bij Hof Leeuwarden. Bij uitspraak van 22 november 2002 heeft Hof Leeuwarden het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van B en W vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een bedrag van € 2690,70.
3.4. Tegen de uitspraak van Hof Leeuwarden heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 juli 2004, nrs. 39.148 en 39.149, BNB 2004/340, het cassatieberoep gegrond verklaard, de uitspraak van Hof Leeuwarden vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam (hierna: het Hof).
3.5. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van B en W alsmede de aanslag vernietigd.
3.6. B en W hebben tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.B en W hebben een conclusie van repliek ingediend.Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
4. Geschil
4.1. Voor het Hof was na verwijzing nog in geschil het antwoord op de vraag of en, zo ja, in hoeverre als gevolg van de herinrichting sprake is van een als voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, Gemeentewet aan te merken verbetering. Indien en voor zover van zodanige verbetering sprake zou zijn, was tussen partijen voorts in geschil of woningen terecht buiten de heffing van baatbelasting zijn gelaten, of terecht verschillende tarieven zijn gehanteerd en of bij de berekening van de kosten terecht een rentepercentage van 6,5 percent is gehanteerd.
4.2. Het Hof heeft geoordeeld dat door de verrichte werkzaamheden het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied in vergelijking met de toestand waarin dit zich bij de oorspronkelijke inrichting of de laatste herinrichting bevond niet wezenlijk is veranderd. Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat het, gelet op zijn evenvermelde oordeel, dient te onderzoeken in hoeverre sprake is van (groot) onderhoud en in hoeverre van een verbetering. Het Hof oordeelt dat het geen reden heeft om niet aan te sluiten bij de beslissing van de gemeente om de kosten van verlichting en groenvoorzieningen geheel als onderhoudskosten aan te merken en oordeelt dat deze dus niet zijn aan te merken als voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, Gemeentewet. Wat betreft de fietsenstaanders oordeelt het Hof dat, nu deze in fase 1B van de herinrichting zijn verplaatst naar een gebied dat is gelegen buiten het gebied dat in fase 1A als gebaat is aangemerkt, deze niet tot een verbetering hebben geleid, laat staan dat belanghebbende door die fietsenstaanders is gebaat. Wat betreft de prullenbakken oordeelt het Hof dat de meerkosten voor de luxe uitvoering zijn aan te merken als kosten van verbetering. Terzake van de sierbestrating oordeelt het Hof dat in de vervanging van de betonnen stoepranden door natuurstenen stoepranden enige verbetering kan worden onderkend, zodat een deel van de kosten van de natuurstenen stoepranden als kosten van verbetering kunnen worden aangemerkt. Wat betreft de overige kosten van sierbestrating sluit het Hof zich aan bij de beslissing van de gemeente om die kosten als kosten van onderhoud aan te merken. Tenslotte oordeelt het Hof dat belanghebbende door de bescheiden voorzieningen (te weten: de vervanging van prullenbakken door een luxere exemplaren en de vervanging van betonnen stoepranden door natuurstenen stoepranden) slechts in verwaarloosbare mate in een voordeliger positie is gekomen. Zulks brengt mee, aldus het Hof, dat de heffing van baatbelasting te dier zake niet geoorloofd is.
4.3. In cassatie is in geschil of het Hof de aanslag terecht heeft vernietigd. B en W voeren als cassatiemiddel aan: schending van het recht, in het bijzonder artikel 222 Gemeentewet, alsmede verzuim van vormen. Het middel wordt als volgt toegelicht:- Het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting van het begrip voorziening. Het Hof heeft immers geoordeeld dat door de herinrichting het geheel van voorzieningen niet wezenlijk is veranderd. In dit oordeel ligt besloten, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 8 augustus 2003 (de Bredase baatbelastingzaken), dat slechts sprake is van (groot) onderhoud en niet van een als een voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, Gemeentewet aan te merken verbetering. Desondanks komt het Hof vervolgens tot het oordeel dat de nieuwe prullenbakken en de sierbestrating deels zijn aan te merken als een als voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, Gemeentewet aan te merken verbetering. De evenvermelde oordelen zijn voorts innerlijk tegenstrijdig en daarmee is de motivering van 's Hofs uitspraak onbegrijpelijk.- Het Hof heeft voorts blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de prullenbakken en de sierbestrating deels aan te merken als een verbetering en deels als onderhoud. B en W stellen zich op het standpunt dat uit de arresten van de Hoge Raad van 8 augustus 2003 volgt dat een werk kan worden aangemerkt als een verbetering of als onderhoud maar niet deels als onderhoud en deels als een verbetering. Er is dus geen reden om op de kosten van een tot stand gebracht werk 'fictieve' onderhoudskosten in mindering te brengen, aldus B en W. 's Hofs oordeel dat op de kosten van de sierbestrating en de prullenbakken kosten van onderhoud in mindering moeten worden gebracht, is derhalve onjuist en bovendien onbegrijpelijk.- 's Hofs oordeel dat de onroerende zaak slechts in verwaarloosbare mate is gebaat nu de voorzieningen zo bescheiden zijn, is onjuist en/of onbegrijpelijk. Een onroerende zaak kan immers ook bij bescheiden voorzieningen zijn gebaat. Het oordeel van het Hof is volgens B en W ook innerlijk tegenstrijdig, omdat het Hof enerzijds constateert dat er sprake is van voorzieningen en anderzijds tot het oordeel komt dat de voorzieningen zo bescheiden zijn dat de onroerende zaak daarbij niet is gebaat.
5. Beoordeling
5.1. In de Bredase baatbelastingarresten (zie § 5.3 van de bijlage, alsmede nader daarover § 5.7) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat werken die niet ieder afzonderlijk als voorziening kunnen gelden, wel gezamenlijk - als herinrichting van een gebied - als zodanig kunnen worden aangemerkt, indien door die herinrichting het geheel van voorzieningen wezenlijk is veranderd in vergelijking met de oorspronkelijke toestand of de laatste herinrichting.
5.2. Indien zulks het geval is, kan de herinrichting als geheel als voorziening gelden, behoudens voorzover daarin delen voorkomen ten aanzien waarvan louter onderhoud wordt gepleegd. Indien de herinrichting daarentegen niet een voorziening in deze zin is, zoals het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld, kunnen daarin niet toch nog delen worden onderscheiden die wel als zodanig gelden (zie § 5.7.8 van de bijlage).
5.3. Het middel betoogt terecht dat het Hof, gelet op zijn zojuist vermelde oordeel, ten onrechte heeft onderzocht of onderdelen van de herinrichting toch als voorziening kunnen worden aangemerkt. Uit bedoeld oordeel volgt immers - doch anders dan het middel voorstaat - dat de uitgevoerde werkzaamheden in het geheel niet als voorziening kunnen worden aangemerkt, zodat de kosten daarvan niet door middel van een baatbelasting kunnen worden omgeslagen.
5.4. Het Hof heeft derhalve terecht - zij het op deels onjuiste gronden - de aangevallen uitspraak en de aanslag vernietigd, zodat het middel niet tot cassatie kan leiden.
6. Conclusie
Deze conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het beroep.
Procureur-Generaal bij deHoge Raad der Nederlanden
A-G
Mr. NiessenDerde kamer BBijlage bij de conclusies 42457, 42458, 42459, 42460, 42461, 42462, 42463, 42464, 42465, 42721, 42722, 42758 en 42759Baatbelasting
Inleiding
Daar de laatste jaren diverse arresten inzake de baatbelasting zijn gewezen en er thans een reeks zaken aanhangig is, terwijl er in de dagbladpers nog meer zijn aangekondigd, komt het mij zinvol voor van deze materie een wat breder overzicht te geven, ten behoeve van zowel de Hoge Raad en de overige rechterlijke macht als de rechtspraktijk.Het onderhavige geschrift vormt de bijlage bij dertien conclusies betreffende geschillen over die belasting. Het omvat twee delen, waarvan het eerste (onderdelen 1-4) een historisch overzicht geeft van de ontwikkeling van de wetgeving dienaangaande, en het tweede (onderdelen 5-6) de voor die geschillen belangrijke begrippen 'voorziening' en 'baat' analyseert. In 5.6 en 6.10 worden de bevindingen dienaangaande samengevat. In 5.7 tracht ik een beslissingsmodel te formuleren voor de vraag wanneer sprake is van een 'voorziening'.
Deel 1: Historisch overzicht van de baatbelasting
1. Bouwgeld
1.1. Bij Wet van 24 mei 1897 werd in de Gemeentewet in het toenmalige artikel 240 onder meer opgenomen:
"Bovendien mogen bijzondere belastingen worden geheven:(...)j. wegens gebouwde eigendommen en hunne aanhoorigheden, die gelegen zijn in bepaalde gedeelten der gemeente,een en ander naar grondslagen, volgens welke van de belastingschuldigen in billijke evenredigheid eene bijdrage gevorderd wordt in de kosten ten laste der gemeente komende, (...); in het geval onder j ten behoeve van den aanbouw in de aldaar bedoelde gedeelten. De laatstgenoemde belasting [bedoeld wordt de belasting genoemd in art. 240, onderdeel j, gemeentewet; RN] mag alleen wegens de na de invoering der belasting gestichte gebouwen en hunnen aanhoorigheden worden geheven." (1)
1.2. Deze belasting, die algemeen wordt aangeduid als "het bouwgeld", kan wel worden gezien als de voorloper van de baatbelasting oude stijl. Zo wordt in de Vakstudie opgemerkt:
"Op grond van de wet van 24 mei 1897, Stb. 1987, 156, bestond een met de baatbelasting overeenkomende heffing bekend als het 'bouwgeld'. Dit bouwgeld bestond uit bijdragen ten behoeve van de stichting van gebouwen in bepaalde gedeelten van gemeenten met name voor door de gemeenten te leggen bestrating, riolering en dergelijke voorzieningen."(2)
1.3. Het zogenoemde bouwgeld werd aan de Gemeentewet toegevoegd teneinde het gemeentelijk belastinggebied uit te breiden. Dit moge blijken uit de hierna opgenomen passage uit de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Gemeentewet en van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914:
"Levendig is sedert lang het besef, dat tusschen den geldenlijken nood waarin menig gemeente verkeert en het enge gebied aan de plaatselijke belastingen toegewezen, een nauw verband bestaat. Reeds zeventien jaar geleden werd een poging aangewend om het kwaad bij den wortel aan te tasten. Bleef de arbeid destijds vruchteloos, in 1897 was de Regeering gelukkiger."(3)
1.4. Het bouwgeld bleek evenwel niet het gewenste resultaat op te leveren. Deyll schrijft:
"De gedachte, dat men in 1897 met het bouwgeld een reële mogelijkheid had geschapen voor een gemeentelijke belastingheffing, bleek, zoals gezegd, niet juist. Niet toch de gemeentebesturen namen het initiatief tot nieuwbouw, maar de bouwondernemers. Bovendien maakte de Woningwet van 1901 het mogelijk, dat de gemeenten veelal de kosten 'ten behoeve van de aanbouw' volledig vergoed konden krijgen."(4)
2. Baatbelasting oude stijl
2.1.1. Bij Wet van 30 december 1920, tot wijziging van de Gemeentewet en van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914, Stb. 923, werd de baatbelasting in de Gemeentewet opgenomen. Het toenmalige artikel 242d Gemeentewet luidde:
"Wegens gebouwde of ongebouwde eigendommen en hunne aanhoorigheden, die gelegen zijn in bepaalde gedeelten der gemeente, kan, gedurende eene periode van ten hoogste dertig jaren, eene jaarlijksche belasting geheven worden naar grondslagen, volgens welke eene billijke bijdrage gevorderd wordt in de kosten van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte werken, waardoor deze eigendommen zijn gebaat."
In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel werd opgemerkt:
"En ten slotte zal van gebouwde en ongebouwde eigendommen eene billijke bijdrage gevorderd kunnen worden in de kosten van de door het gemeentebestuur tot stand gebrachte werken, waardoor deze eigendommen zijn gebaat - m.a.w. gelegenheid gegeven worden een zoogen. Bettermenttax te heffen."(5)
2.1.2. Deyll merkt over artikel 242d Gemeentewet op:
"In de oorspronkelijke tekst [bedoeld wordt het oorspronkelijke wetsvoorstel; RN] was nog niet sprake van een jaarlijkse belasting, noch ook was de heffing toen beperkt tot een termijn van 30 jaren.(...)Wat de baatbelasting betreft, in een van de vele Nota's van wijzigingen werd zonder commentaar het woord 'jaarlijkse' toegevoegd voor 'belasting' terwijl de beperking van de heffing tot 30 jaren in 1920 in het ontwerp werd opgenomen op voorstel van de Commissie van Voorbereiding [voetnoot van de auteur: Verslag van 16 april 1920, no. 66, blz. 12], die daarvoor de volgende motivering gaf: 'De herinnering aan de oorzaak, die tot de heffing leidde, zal in de praktijk zeker verloren gaan. Men kan ook terecht stellen, dat de kosten van een bepaald door de gemeente tot stand gebracht werk een vast gegeven vormen, en dat de beperking van de tijd van heffing er altijd zou dienen te zijn'."(6)
2.1.3. Beyen schrijft over artikel 242d Gemeentewet:
"De belasting van art 242d is door de Regeering van 1908 een "Bettermenttax" gedoopt. Zij sluit min of meer aan het bouwgeld van art. 240j aan, zooals dit luidde vóór de wijziging van 1920. Toch berust zij op een eenigszins ander beginsel.Het oude bouwgeld bedoelde een bijdrage te zijn in de kosten, die de gemeente zich ten behoeve van den aanbouw in bepaalde gedeelten der gemeente getroost en mocht alleen worden geheven van na de invoering der belasting gestichte gebouwen en hunnen aanhoorigheden. Het was dus niet een belasting van "betterment" doch vormde slechts een bedrage in de kosten van aanleg, van bestrating, rioleering etc., noodig om den aanbouw mogelijk te maken; kosten dus, rechtsreeks gemaakt ten behoeve der te belasten gebouwen. Wat de belasting beoogde te bereiken werd voor 1897 vaak meer afdoende verkregen door middel van contracten, gesloten met hen, die van plan waren in een nieuw stadsgedeelte te gaan bouwen. Langs dien weg kon de gemeente bovendien vaak al haar kosten afwentelen.De belasting van art. 242d onderscheidt zich in zooverre van het oude bouwgeld, dat zij geheel los van den aanbouw in bepaalde stadsgedeelten staat. Haar principe is, dat door de gemeente uitgevoerde werken - van welken aard ook - voor bepaalde eigendommen (gebouwde of ongebouwde) bijzondere voordeelen kunnen medebrengen. Een sprekend voorbeeld is het bouwen van een brug of het doorbreken van een weg, welke in een achterbuurt gelegen gebouwen aangrenzend maakt aan een der hoofdwegen. In tegenstelling tot het geval van aanbouw van een nieuw stadsgedeelte gaat het hier niet om werken, ondernomen ten behoeve der profiteerende eigendommen. Hier betreft de heffing in zooverre een toevallig voordeel, als de werken zijn verricht met het oog op het algemeen belang. Het is mogelijk, dat die werken schade toebrengen aan eigendommen. Het is ook mogelijk, dat zij eigendommen bevoordeelen. Dat deze laatste eigendommen meedragen in de kosten der werken, waaronder mede te begrijpen de eventueele te betalen schadeloosstellingen, is alleszins redelijk.De verschilpunten met de regeling van art. 240j (oud), zijn uit het beginselverschil te verklaren. Uiteraard is de heffing der nieuwe belasting niet beperkt tot nà haar invoering gestichte gebouwen of tot gebouwde eigendommen. Zij is immers juist bestemd de gemeenten in staat te stellen voor de reeds bestaande gebouwen, alsmede voor gronden belasting te vorderen. Aangezien de redactie van art. 242d echter in alle opzichten ruimer is dan de tekst van art. 240 sub j (oud), kan het bouwgeld in zijn ouden vorm ook onder de vigueur der nieuwe bepaling blijven bestaan.De nieuwe belasting, alhoewel door de Regeering van 1908 een belasting van "betterment" genoemd, is in haar uitwerking geen waardevermeerderings-belasting. Niet op de waardevermeerdering valt bij haar heffing de nadruk. Wel moet vaststaan, dat de eigendommen zijn gebaat, wel eischt de wet een billijke bijdrage d.i. een bijdrage, welke met de mate waarin de eigendommen gebaat zijn rekening houdt, maar er is geen sprake van, dat de heffing rechtstreeks met de geschatte waardevermeerdering rekening zou moeten houden en nog minder, dat de realiseering der waardevermeerdering zou moeten worden afgewacht.(...)Medewerking der gemeente bij het tot stand brengen van werken beteekent uitsluitend medewerking, die voor de gemeente kosten medebrengt. Werken zijn niet alleen bouwwerken.Van de belasting van art. 242c [de straatbelasting; RN] onderscheidt de baatbelasting zich in de volgende opzichten. Terwijl de straatbelasting meer bedoelt een algemeen te heffen bijdrage van de jaarlijksche kosten van bestrating, verlichting en rioleering - onder welke jaarlijksche kosten blijkens de term "aanleg en onderhoud" rente en aflossing der aanlegkosten mogen worden begrepen - ziet de baatbelasting meer op een bepaald op zich zelf staand werk. Dit werk kan uiteraard de aanleg van een straat zijn, en het spreekt van zelf, dat in dit geval de gemeente de keus heeft tusschen beide belastingen. Als zij ter zake van den aanleg tot de invoering van een baatbelasting besluit, mag zij de aanlegkosten bij de regeling der straatbelasting niet meer in aanmerking nemen.(...)"(7)
2.1.4. Dat, anders dan bij het oude bouwgeld, bij de baatbelasting het 'gebaat zijn' van de onroerende zaak van wezenlijk belang is, was kennelijk nog niet bij iedere gemeente doorgedrongen, getuige het arrest van 15 april 1931, Weekblad van het recht, nr. 12284, waarin de Hoge Raad oordeelde:
"O. hieromtrent:dat de eerste drie artikelen der betreffende verordening van 4 april 1929 luiden:Artikel 1.In deze gemeente wordt eene belasting onder den naam "Baatbelasting" geheven wegens ongebouwde eigendommen, welke gelegen zijn aan de Molenlaan en niet op 1 Jan. 1929 bebouwd waren of aanhoorigheden waren van gebouwde eigendommen.(...)O. ambtshalve:(...)dat art. 242d der Gemeentewet de bevoegdheid toekent tot het heffen eener belasting wegens ongebouwde eigendommen, die gelegen zijn in bepaalde gedeelten der gemeente, naar grondslagen, volgens welke een billijke bijdrage gevorderd wordt in de kosten van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte werken, waardoor die eigendommen zijn gebaat;dat de strekking van dit artikel is, dat deze belasting geheven mag worden enkel van eigendommen, die gebaat zijn door een of meer der daarin omschreven werken;dat nu eene verordening als de onderhavige van Hillegersberg, waarbij van zekere enkel met plaatsomschrijving aangeduide perceelen zekere bedragen aan belasting wordt geheven, zonder dat daarbij als voorwaarde wordt gesteld, dat deze perceelen door eenig daarin aangegeven werk zij gebaat, geen steun kan vinden in voormeld wetsartikel en dus is onverbindend;"(8)
2.2. Bij Besluit van 16 maart 1931(9), houdende bekendmaking van de Gemeentewet zoals laatstelijk gewijzigd bij Wet van 31 januari 1931 (Stb. 41), is artikel 242d vernummerd tot artikel 281.
2.3.1. In het wetsvoorstel tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen(10) werd voorgesteld om onder meer de baatbelasting te laten vervallen.
"De in de inleiding van deze memorie reeds globaal aangegeven maatregelen ter verruiming van het gemeentelijk belastinggebied, zoals deze in het onderhavige wetsontwerp zijn vervat, kunnen meer concreet worden omschreven als volgt.a. (...)b. De bepalingen der gemeentewet met betrekking tot de gemeentelijke belastingen worden gewijzigd in dier voege, dat:1. overeenkomstig de in de memorie van toelichting bij wetsontwerp 7193(11) uiteengezette plannen, aan de gemeenten een algemene bevoegdheid wordt toegekend tot heffing van belasting ter zake van onroerend goed - met uitzondering evenwel van de cultuurgrond voor land- en bosbouw -, zowel van de zakelijk gerechtigden als van de gebruikers, en de bestaande bijzondere bevoegdheden van de gemeeenten om belasting ter zake van onroerend goed te heffen (met uitzondering van die tot het heffen van de belasting bedoeld in artikel 282 [bedoeld wordt de bouwgrondbelasting; RN]), te weten de bevoegdheid tot het heffen van de straatbelasting, de baatbelasting, de bouwtereinbelasting en de brandverzekeringsbelasting, vervallen;(...)"(12)
2.3.2. Op dit voorstel kwam evenwel kritiek van de Tweede Kamer. Zo wordt in het Voorlopig verslag opgemerkt:
"Het bleef voor vele leden een open vraag, of de thans gedane voorstellen niet tot grote onbillijkheden aanleiding moeten geven. Met name konden zij niet inzien waarom de baatbelastingen, welke in het verleden vaak een vrucht waren van overleg tussen gemeentebestuur en bij een bepaald werk belanghebbende personen, thans moeten vervallen en de aan die werken verbonden lasten zouden moeten worden herverdeeld."(13)
"Vele leden konden instemmen met de gedachte, de bouwgrondbelasting [op de bouwgrondbelasting wordt hierna onder 3 nader ingegaan; RN] als een specifiek middel om ten laste van bepaalde gronden komende lasten ook over die bouwgronden om te slaan, te handhaven. Het had hen echter verwonderd, dat niet een analoge redenering heeft gegolden bij de beslissing om de baatbelasting op te heffen. Zij erkenden gaarne, dat volgens de raming van de Raad voor de Gemeentefinanciën de opbrengst van de baatbelasting voor 1969 niet meer dan ƒ 5 mln. zal bedragen, maar merkten tevens op, dat deze belasting de laatste jaren procentueel niet onbelangrijk is gestegen. Een voortzetting van die tendens achtten zij niet onwaarschijnlijk. Waar de bouwgrondbelasting er toe dient om van te voren kosten van voorzieningen van openbaar nut aan de gebruikers in rekening te brengen, is dit met de baatbelasting achteraf het geval. Het kwam deze leden voor, dat nadere overweging van de vraag of de baatbelasting niet gehandhaafd dient te blijven, gewenst is."(14)
2.3.3. Deze kritiek werd als volgt beantwoord:
"De bezwaren die in het voorlopig verslag zijn aangevoerd tegen de opheffing van de mogelijkheid tot heffing van baatbelasting op grond van het huidige artikel 281 van de gemeentewet, worden door de ondergetekenden grotendeels als juist erkend. Derhalve is in het voorliggende wetsontwerp bij de tweede nota van wijzigingen alsnog een artikel opgenomen op grond waarvan de heffing van baatbelasting mogelijk blijft, zonder dat de 15 pct.-limiet en de uitschakeling van cultuurgronden hierop van toepassing zullen zijn.Wel is het noodzakelijk geacht de heffingsmogelijkheid, naar analogie van het voorgestelde tweede lid van artikel 274 [in dit artikel was de bouwgrondbelasting geregeld; RN], enigszins te beperken, en wel in zodanige zin, dat tot heffing moet worden besloten binnen een jaar na het tot stand komen van de voorzieningen, in de kosten waarvan een billijke bijdrage wordt geheven. De redelijkheid eist dat tussen die totstandkoming en de invoering van de belasting geen te groot tijdsverloop is gelegen."(15)
2.3.4. Bij Tweede nota van wijzigingen werd aan het wetsvoorstel artikel 273a toegevoegd, welk artikel luidde:
"Ter zake van in bepaalde gedeelten van de gemeente gelegen onroerend goed dat gebaat is door voorzieningen die zijn tot stand gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan, over een termijn van ten hoogste dertig jaren een jaarlijkse belasting ter verkrijging van een billijke bijdrage in de kosten van die voorzieningen worden geheven van degenen die van dat onroerende goed het genot hebben krachtens een zakelijk recht.Tot heffing van de belasting wordt besloten binnen een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid of, in geval zij eerder in gebruik zijn genomen, binnen een jaar nadien.In de belastingverordening kan worden bepaald, dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige, voor de ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet aangevangen belastingjaren, ineens kan worden voldaan volgens een in de verordening op te nemen regeling.Indien de belastingverordening door Ons is goedgekeurd, wordt zij geacht te strekken tot het heffen van een billijke bijdrage als bedoeld in het eerste lid en geacht te voldoen aan het bepaalde in het tweede lid."(16)
2.3.5. Van 1971 tot 26 juli 1991 luidde artikel 273a gemeentewet:
"Ter zake van in bepaalde gedeelten van de gemeente gelegen onroerend goed dat gebaat is door voorzieningen die zijn tot stand gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur, kan, over een termijn van ten hoogste dertig jaren een jaarlijkse belasting ter verkrijging van een billijke bijdrage in de kosten van die voorzieningen worden geheven van degenen die van dat onroerende goed het genot hebben krachtens een zakelijk recht.Tot heffing van de belasting wordt besloten binnen een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid of, in geval zij eerder in gebruik zijn genomen, binnen een jaar nadien.In de belastingverordening wordt bepaald, dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige, voor de ten tijde van de indiening van het verzoek nog niet aangevangen belastingjaren, ineens kan worden voldaan volgens een in de verordening op te nemen regeling."(17)
2.4. Bij Wet van 22 mei 1991, Stb. 1991, 394 (Wet houdende wijziging van diverse wetten in verband met de vereenvoudiging van regelgeving en vergroting van gemeentelijke en provinciale beleidsvrijheid), is de regeling van het bekostigingsbesluit opgenomen in art. 273a, vierde lid, gemeentewet. Zie voor een uitgebreide verhandeling over het bekostigingsbesluit de bijlage bij de conclusie van A-G Ilsink bij het arrest van 8 augustus 2003, nr. 36766, BNB 2003/338.Voorts is bij die wet de in het tweede lid van artikel 273a genoemde termijn verruimd tot twee jaren na de voltooiing van de voorzieningen dan wel, in geval zij eerder in gebruik zijn genomen, twee jaren na die ingebruikname.
Deze wijzigingen zijn als volgt toegelicht:
"Het Interprovinciaal overleg en de Raad voor de gemeentefinanciën hebben een aantal bezwaren geuit tegen de aanvankelijk opgenomen verruiming van de eenjaarstermijn met zes maanden voor tariefsverhogingen voor de baatbelasting. In deze kritiek heb ik aanleiding gezien het voorstel op dit punt te wijzigen. Thans wordt voorgesteld zowel rekening te houden met de voor belastingplichtigen noodzakelijke rechtszekerheid als met de door het Interprovinciaal overleg en de Raad voor de gemeentefinanciën op het onderhavige voorstel naar voren gebrachte bezwaren die ook door de adviesinstanties met betrekking tot het voorontwerp materiële belastingbepalingen in de Gemeentewet op dit punt naar voren zijn gebracht. De voorgestelde regeling houdt thans in dat het besluit tot vaststelling van de verordening baatbelasting dient te worden genomen binnen twee jaren na voltooiing, dan wel eerdere ingebruikname van de voorzieningen. Ik ben voorts tegemoet gekomen aan het voorstel de uitbreiding eveneens op te nemen voor de in artikel 274 van de gemeentewet geregelde bouwgrondbelasting. Overigens is het teneinde de rechtszekerheid ten behoeve van de belastingplichtige te waarborgen in dit verband noodzakelijk om tegelijk met de verruiming van de termijn van invoering van de baat- en bouwgrondbelasting een verplichting voor de gemeenten op te nemen om voordat met het treffen van de voorzieningen wordt aangevangen, een zogeheten bekostigingsbesluit te nemen.Bij dit besluit bepaalt de gemeenteraad in welke mate de aan die voorzieningen verbonden kosten door middel van de belasting zullen worden verhaald.Zowel de Vereniging van Nederlandse Gemeenten als het Interprovinciaal overleg hebben zich voorstander getoond van een dergelijke regeling, die de rechtszekerheid van de (toekomstige) belastingplichtige in voldoende mate waarborgt."(18)
2.5. Met ingang van 1 januari 1994 (op dat tijdstip is de nieuwe Gemeentewet(19) in werking getreden) is de baatbelasting verplaatst naar artikel 221. De tekst is nagenoeg gelijk gebleven. Wel is in het vierde lid de laatste volzin is vervallen. Hierover wordt in de Vakstudie opgemerkt:
"De laatste volzin van het vierde lid van art. 273a is niet meer opgenomen in art. 221. Deze luidde als volgt. 'Het besluit wordt op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt'. Het lijkt erop dat de wetgever abusievelijk heeft nagelaten deze regeling op te nemen in art. 221. Bij de wijziging van de materiële belastingbepalingen heeft de wetgever deze omissie hersteld. In art. III, onderdeel C, van de Invoeringswet van de wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet is geregeld dat bekostigingsbesluiten alsnog na 24 juni 1994 dienen te worden gepubliceerd."(20)
3. Bouwgrondbelasting
3.1. De huidige baatbelasting is een combinatie van de baatbelasting oude stijl en de bouwgrondbelasting die tot 1995 heeft bestaan. Het is om die reden dat ik hier nader inga op de bouwgrondbelasting.
3.2.1. Bij Wet van 1 augustus 1964, Stb. 344 (Overgangswet ruimtelijke ordening en Volkshuisvesting) is de bouwgrondbelasting geïntroduceerd. De bouwgrondbelasting werd opgenomen in artikel 282 gemeentewet, welk artikel in werking is getreden op 1 augustus 1965 (KB van 24 juli 1965, Stb. 340).
Het voorgestelde artikel 282 gemeentewet luidde:
"Indien door of met medewerking van het gemeentebestuur voorzieningen van openbaar nut zijn getroffen, waardoor gronden geschikt of beter geschikt voor bebouwing zijn geworden, kan, voor zover de aan deze voorzieningen verbonden kosten niet krachtens overeenkomst aan de gemeente zijn of worden voldaan, een belasting worden geheven, waarbij die kosten geheel of gedeeltelijk over die gronden worden omgeslagen. Onder voorzieningen wordt begrepen het verwerven of beschikbaar stellen van onroerend goed.In de verordening tot heffing van een belasting als bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald, dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting kan worden geheven volgens in de verordening vast te stellen regelen.Bij heffing als jaarlijkse belasting wordt zij geheven over een termijn van ten hoogste dertig jaren."(21)
In de Memorie van toelichting wordt opgemerkt:
"Overeenkomstig het voornemen, kenbaar gemaakt in de toelichting op de artikelen 44 en 45 van het onwerp van Wet op de Ruimtelijke Ordening (bijlage Handelingen II, zitting 1955-1956-4233), wordt verder voorgesteld de gemeentewet aan te vullen met een artikel, dat het mogelijk maakt, de kosten van voorzieningen van openbaar nut, waardoor gronden geschikt of beter geschikt voor bebouwing zijn geworden, voor zover die kosten niet krachtens overeenkomst aan de gemeente zijn of worden voldaan, door middel van een belasting geheel of gedeeltelijk over die gronden om te slaan.Door de toevoeging: "Onder voorzieningen wordt begrepen het verwerven of beschikbaar stellen van onroerend goed" wordt buiten twijfel gesteld, dat de belasting ook kan worden geheven wegens voorzieningen, die niet bestaan in de uitvoering van bepaalde werken, doch beperkt blijven tot het verwerven of beschikbaar stellen van onroerend goed.Dit artikel gaat er, in tegenstelling tot de algemene regeling van de baatbelasting, vervat in artikel 281 van de gemeentewet, van uit, dat de belasting als een heffing ineens wordt geheven. Aangezien het echter, vooral indien het om grote bedragen gaat, voor de belastingschuldigen bezwaarlijk kan zijn, de belasting ineens te voldoen, laat het ontworpen artikel de mogelijkheid open, dat zij, gedurende een periode van ten hoogste dertig jaren, in de vorm van een jaarlijkse belasting wordt geheven.Het ligt voor de hand, dat de Kroon bij de beoordeling van de verordening onder meer zal letten op de inhoud van eventueel door de gemeente met eigenaren van in exploitatie te brengen gronden gesloten overeenkomsten, op grond waarvan de kosten op vrijwillige basis worden betaald.De ondergetekenden menen, dat onder de kosten in beginsel ook het door de gemeente te lijden renteverlies zal kunnen worden begrepen. Daarbij denken zij in de eerste plaats aan het renteverlies gedurende de uitvoering van de werken. Verder zal eveneens het renteverlies, dat wordt geleden, indien de belasting niet ineens, maar over een bepaald aantal jaren wordt geheven, voor verhaal in aanmerking komen."(22)
3.2.2. Bij Tweede nota van wijzigingen is de tweede alinea van artikel 282 als volgt gewijzigd:
"In de verordening tot heffing van een belasting, als bedoeld in het eerste lid, kan worden bepaald:a. dat de belasting op verzoek van de belastingplichtige in de vorm van een jaarlijkse belasting kan worden geheven volgens in de verordening vast te stellen regelen;b. welke bestemmingen voor de toepassing van de verordening met bebouwing in de zin van dit artikel worden gelijkgesteld."(23)
3.2.3. In de Memorie van antwoord is opgemerkt:
"Naar aanleiding van een desbetreffende vraag van sommige leden merken de ondergetekenden op, dat zij er geen bezwaar tegen zouden hebben, indien de nieuwe belasting in de praktijk met een bepaalde naam zou worden aangeduid. Die naam zou bijv. "bouwgrondbelasting" kunnen zijn. Het lijkt de ondergetekenden echter minder opportuun om, nu de andere in de gemeentewet bedoelde belastingen niet van een naam zijn voorzien, deze naam in de wet vast te leggen."(24)
"In antwoord op de vraag van andere leden waaraan de termijn van dertig jaren, genoemd in artikel 282 der
Wij zijn niet aansprakelijk te stellen voor onjuiste of onvolledige informatie die in de nieuwsartikelen vermeld staan; er zijn aan deze gegevens geen rechten te ontlenen. Uiteraard zijn de nieuwsartikelen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld.