Johan Smedema
Johan Smedema is de oprichter en vanzelfsprekend één van de beëdigde NVM-makelaars en beëdigde taxateurs die ons kantoor telt. Johan houdt de ontwikkelingen op Vastgoedgebied scherp in de gaten en bericht hierover op deze website.
Print
Geen toepassing herinvesteringsreserve bij herkwalificatie onroerende zaken
Categorie: Algemeen
Gepubliceerd: 1-09-2008
Verzorgd door
17-07-2006
Verzorgd
door:
Mr J. Smedema
Geen
toepassing herinvesteringsreserve bij herkwalificatie onroerende zaken
Op 12 mei heeft de Hoge Raad geoordeeld dat er geen
herinvesteringsreserve kan worden gevormd als een pand op het moment van
vervreemding dienst deed als voorraad. Op zichzelf is dat niet zo
bijzonder. Maar deze regel geldt zelfs als historisch gezien een deel
van de boekwinst toerekenbaar is aan de periode dat het pand wel de
functie van bedrijfsmiddel had. De Hoge Raad gaat in zijn oordeel
voorbij aan het advies van de advocaat-generaal. Deze pleitte er juist
voor om voor het laatstgenoemde deel van de boekwinst wel vorming van
een herinvesteringsreserve toe te staan. Met andere woorden: de
boekwinst te compartimenteren.
Volledig bericht
Binnen een onderneming kunnen we onroerende zaken onder andere
kwalificeren als bedrijfsmiddel of als voorraad. Goederen die voor het
uitoefenen van de onderneming worden gebruikt, zoals onroerende zaken
die zijn verworven om gedurende enige tijd huuropbrengsten te genereren,
kunnen in beginsel worden aangemerkt als bedrijfsmiddel. Goederen
kwalificeren pas als voorraad als zij specifiek zijn bestemd voor de
omzet van het bedrijf. Dat kunnen bijvoorbeeld aangekochte of nieuw
gebouwde woningen zijn voor de (door)verkoop. Onder andere de bezitsduur
en de hoogte van de opbrengst bij verkoop van een onroerende zaak
bepalen of sprake is van voorraad of van een bedrijfsmiddel.
Wat is nu het
fiscale belang van het onderscheid tussen voorraad en bedrijfsmiddel?
Dat belang wordt duidelijk als we kijken naar de fiscale behandeling van
boekwinsten die met onroerende zaken worden gerealiseerd. Een dergelijke
boekwinst kan in het geval de onroerende zaak kwalificeert als
bedrijfsmiddel onder omstandigheden worden gereserveerd in een
zogenaamde herinvesteringsreserve. Bij een kwalificatie van onroerende
zaken als voorraad kan dat niet.
In het arrest van de Hoge
Raad van 12 mei 2006 (nr 41 105) was sprake van een vennootschap die
onroerende zaken exploiteert en erin handelt. Tot 1 september 1995
verhuurde de men een kantoorpand aan derden. Omdat het de onderneming
niet lukte het kantoorpand na die datum nog te verhuren, werd besloten
het pand te herontwikkelen voor verkoop. Hiertoe werd een gedeelte van
het pand volledig gesloopt en verbouwd tot luxe woonappartementen. De
boekwinst die in 2001 werd behaald met de verkoop van de appartementen,
wilde men doteren aan de herinvesteringsreserve. Men meende dat sprake
was van een bedrijfsmiddel. De fiscus stelde zich echter op het
standpunt dat het pand op het moment van verkoop niet als bedrijfsmiddel
maar als voorraad moest worden aangemerkt omdat de het niet de bedoeling
was de appartementen te verhuren, maar te verkopen.
Hierop stelde de
vennootschap dat in ieder geval het deel van de boekwinst dat
toerekenbaar was aan de periode dat het pand werd verhuurd en dus voor
de onderneming als bedrijfsmiddel werd gebruikt aan de
herinvesteringsreserve mocht worden gedoteerd. Hierdoor zou alleen de
winst die toerekenbaar is aan de periode na de herkwalificatie, zijn
belast. Het Hof stond dit beroep op de zogenaamde
'compartimenteringsleer' niet toe en stelde de fiscus in het gelijk.
Door de herkwalificatie van bedrijfsmiddel naar voorraad was de
volledige boekwinst die werd behaald met de verkoop van het pand,
belast.
De BV wendde zich tot de
Hoge Raad. De advocaat-generaal vond de zaak belangrijk genoeg om er een
conclusie aan te wijden. Hij was net als het Hof van mening dat als een
verandering optreedt in de aard van het verwachte duurzame gebruik van
een onroerende zaak, het fiscaalrechtelijke karakter inderdaad kan
veranderen van bedrijfsmiddel in voorraad (herkwalificatie). Op grond
van uiterlijk waarneembare feiten en omstandigheden (zoals de gang van
zaken rondom het verkoopproces, de inhoud van de koop- en
aannemingsovereenkomst en de sloop- en bouwwerkzaamheden) werd duidelijk
dat de ondernemer niet meer de bedoeling had het pand te exploiteren.
Vanaf het moment dat verhuur van het pand niet meer mogelijk was, had de
BV het voornemen het pand te herontwikkelen tot voor de verkoop bestemde
appartementen. Het pand ging vanaf dat moment tot de voorraad behoren.
De advocaat-generaal vond
het echter wel redelijk en in lijn met de bedoeling van de
herinvesteringsreserve om de boekwinst op het pand te compartimenteren.
Op het moment van de herkwalificatie van bedrijfsmiddel tot voorraad was
er immers al boekwinst aanwezig, al was deze nog niet gerealiseerd. Op
het verschil tussen de boekwaarde van het bedrijfsmiddel en de waarde in
het economische verkeer daarvan op het moment van herkwalificatie,
moeten dan de regels van de herinvesteringsreserve worden toegepast.
Hiermee wordt de BV in staat gesteld dit bedrijfsmiddel te vervangen
voor de continuïteit van de onderneming.
De Hoge Raad legt de
conclusie van de advocaat-generaal naast zich neer en stelt de fiscus in
het gelijk. De herinvesteringsreserve moet bevorderen dat boekwinsten
die ontstaan, omdat bedrijfsmiddelen uit de onderneming verdwijnen,
beschikbaar blijven om deze bedrijfsmiddelen te kunnen vervangen.
Hiermee wordt de continuïteit van de onderneming gewaarborgd. Het is
volgens de Hoge Raad niet in lijn met deze doelstelling als de
herinvesteringsreserve wordt toegepast op stille reserves in onroerende
zaken die weliswaar in het verleden als bedrijfsmiddel fungeerden, maar
inmiddels als voor de omzet bestemde voorraad zijn gaan fungeren.
Ondanks dat de advocaat-generaal verschillende (redelijkheids-)
argumenten aandraagt, staat de Hoge Raad het niet toe de boekwinst,
behaald bij vervreemding, te compartimenteren.
Opmerking
Het arrest maakt duidelijk dat de bestemming van een beleggingspand
onder omstandigheden kan wijzigen van bedrijfsmiddel naar voorraad. In
dat geval kan bij vervreemding van het geherkwalificeerde pand geen
herinvesteringsreserve worden gevormd. Hiermee wordt duidelijk dat
vastgoedbeleggers zich bewust moeten zijn van de fiscale gevolgen van
een eventuele wijziging in het karakter van een vastgoedbelegging. Om te
voorkomen dat geen gebruik kan worden gemaakt van de
herinvesteringsreserve zouden vastgoedbeleggers die van plan zijn een
beleggingspand te herontwikkelen voor de verkoop, het pand eerst in een
groepsmaatschappij kunnen onderbrengen. Op deze manier kan het pand
worden herontwikkeld door de groepsmaatschappij en kan de
vastgoedbelegger toch een herinvesteringsreserve vormen.
Bron:Hoge Raad, 12 mei
2006, 41105, LJN (AV0430).
Europaplein 6, 6591 AV Gennep, Telefoon 0485
51 24 95, Fax 0485 51 75 32
info@smedema.nl
www.smedema.nl
Wij zijn niet aansprakelijk te stellen voor onjuiste of onvolledige informatie die in de nieuwsartikelen vermeld staan; er zijn aan deze gegevens geen rechten te ontlenen. Uiteraard zijn de nieuwsartikelen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld.