Herbert Smedema
Herbert Smedema is één van de beëdigde NVM-makelaars en beëdigde taxateurs die ons kantoor telt. Herbert schrijft geregeld een column in de Maas- en Niersbode onder het kopje: Zakelijk actueel. Tevens volgt hij de ontwikkelingen op vastgoedgebied en bericht hierover op deze website.
Print
Kortdurende verhuur appartement aan ex-pats was belaste verhuur
Categorie: Algemeen
Gepubliceerd: 1-09-2008
Kortdurende verhuur appartement aan ex-pats was belaste verhuur
De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat de verhuur van woonruimte aan tijdelijk naar Nederland uitgezonden werknemers een voor de omzetbelasting belaste prestatie was. Het standpunt van belanghebbende/BV dat het in casu niet om vrijgestelde verhuur ging omdat sprake was van verhuur in het kader van hotel-, pension-, kamp- en het vakantiebestedingsbedrijf werd gehonoreerd door de Hoge Raad. Voor de Hoge Raad was het essentieel dat het om verblijfsruimten ging, die zijn toegerust om daarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris. De BV trad met de accommodatieverstrekking in concurrentie met het hotelbedrijf, aldus de Hoge Raad.
Verhuur van onroerende zaken is voor de btw-heffing een vrij complexe materie. Afhankelijk van diverse factoren zoals: het type verhuurobject (woonruimte versus niet-woonruimte maar bijvoorbeeld kantoorruimte), de verhuur in een bepaalde branche (zoals in het hotel-, pension-, kamp- en het vakantiebestedingsbedrijf) maar ook de btw-positie van een zakelijke huurder, kan de verhuur
• hetzij verplicht zijn vrijgesteld,
• hetzij verplicht zijn belast,
• hetzij optioneel belastbaar zijn.
In bepaalde situaties is het op voorhand niet direct uit te maken wat voor type huur in een concreet geval aan de orde is. Illustratief hierbij is dit arrest van de Hoge Raad. De zaak was als volgt. Een BV had in november 2000 een gebouw laten bouwen met daarin zes appartementen. Elk appartement beschikte over een woonkamer, een of twee slaapkamers, een badkamer met toilet en een keuken. De kamers waren gestoffeerd en gemeubileerd en de keuken was volledig ingericht.. De BV verhuurde de appartementen aan bedrijven voor de huisvesting van uit het buitenland afkomstige werknemers (ex pats). Deze verbleven daarin gemiddeld ca vijf maanden en behielden hun normale verblijfplaats elders. De BV had die btw de drukte op de bouwsom van het pand in aftrek gebracht. De inspecteur was echter van mening dat het een verplicht vrijgestelde verhuur van woonruimte zou betreffen. Bij ingebruikname van de appartementen moest de BV dan de zogenoemde integratieheffing voldoen. Hij legde de BV een naheffingsaanslag op. De zaak kwam voor Hof Den Bosch. Dit Hof was van mening dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd. Het Hof wees op een arrest van het Europese Hof van Justitie uit 1998 (Blasi, C-346/95). In die zaak was eveneens sprake van verhuur van appartementen voor betrekkelijk korte tijd ten behoeve van tijdelijk uitgezonden werknemers. Het Europese Hof was van oordeel dat een zodanige verhuur in het algemeen een soortgelijke functie heeft als verhuur binnen het hotelbedrijf. Dit begrip moet in de visie het Hof van Justitie ruim worden uitgelegd. Dat de verhuur van de appartementen niet gepaard ging met enige dienstverlening door of in opdracht en voor rekening van de verhuurder vond Hof Den Bosch niet van belang. Het Hof vond het voorts aannemelijk dat de BV met de verhuur van de appartementen in concurrentie trad met hotels en pensions. De staatssecretaris ging daarop in cassatie bij de Hoge Raad. Hij stelde dat het Hof zijn oordeel slechts baseerde op de korte duur van de huurovereenkomst. Naar zijn mening heeft het hotelbedrijf als essentiële kenmerk dat bijkomende diensten aan de gebruikers van accommodatie worden aangeboden zoals het schoonmaken van kamers, het regelen van bed- en badlinnen en het bieden van een ontbijtgelegenheid. Deze diensten bood de BV niet aan. De Hoge Raad oordeelt in navolging van Hof Den Bosch dat in casu sprake is van verhuur binnen het kader van het hotel-, pension-, kamp- en vakantiebestedingsbedrijf zodat de vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken niet van toepassing is. De Hoge Raad geeft aan dat de Nederlandse wetsbepaling betreffende de belaste verhuur binnen het hotel- en vakantiebestedingsbedrijf e.d. is gebaseerd op een specifieke bepaling in de Zesde richtlijn. De Hoge Raad overweegt dat het gemeenschappelijke kenmerk van de in de Zesde richtlijnbepaling bedoelde accommodaties is dat het gaat om verblijfsruimten die zijn toegerust voor het daarin voor kort verblijven, zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met de zorg voor de inventaris. Het argument van de staatssecretaris dat geen bijkomende diensten aan de gebruikers van de appartementen worden geboden, acht de Hoge Raad irrelevant, omdat deze diensten evenmin eigen zijn aan (bijvoorbeeld) het in de richtlijnbepaling vermelde verschaffen van verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen. Het Hof had de naheffingsaanslag terecht vernietigd. Bron: Hoge Raad, 26-1-2007, nr. 41917 en PricewaterhouseCoopers
Wij zijn niet aansprakelijk te stellen voor onjuiste of onvolledige informatie die in de nieuwsartikelen vermeld staan; er zijn aan deze gegevens geen rechten te ontlenen. Uiteraard zijn de nieuwsartikelen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld.