Herbert Smedema
Herbert Smedema is één van de beëdigde NVM-makelaars en beëdigde taxateurs die ons kantoor telt. Herbert schrijft geregeld een column in de Maas- en Niersbode onder het kopje: Zakelijk actueel. Tevens volgt hij de ontwikkelingen op vastgoedgebied en bericht hierover op deze website.
Print
Schenking onroerend goed en faciliteit ter voorkoming van dubbele heffing
Categorie: Algemeen
Gepubliceerd: 1-09-2008
Schenking onroerend goed en faciliteit ter voorkoming van dubbele heffing
Voor een schenking van een onroerende zaak bestaat een samenloopbepaling die onder voorwaarden voorkomt dat zowel schenkingsrecht als overdrachtsbelasting over hetzelfde bedrag verschuldigd wordt. De overdrachtsbelasting mag daarbij in mindering komen op het schenkingsrecht. Bij zorgvuldige planning van de schenking kan een behoorlijke belastingbesparing worden bereikt. Illustratief hierbij is uitspraak van Rechtbank Haarlem over schenkingen van een vader aan zijn twee zoons.
Volledig bericht
Voor een schenking van een onroerende zaak bestaat een samenloopbepaling die onder voorwaarden voorkomt dat zowel schenkingsrecht als overdrachtsbelasting over hetzelfde bedrag verschuldigd wordt. De overdrachtsbelasting mag daarbij in mindering komen op het schenkingsrecht. Bij zorgvuldige planning van de schenking kan een behoorlijke belastingbesparing worden bereikt. Illustratief hierbij is uitspraak van Rechtbank Haarlem. De zaak was als volgt. Een vader had op 27 december 2001 bij akte van schenking aan zijn twee zoons een bedrag schuldig erkend van f 75.000 (€ 34.033). Deze akte bevatte onder meer een passage “Verklaringen vooraf” waarin was aangegeven dat hij de schenking aan zijn zoons had gedaan ten behoeve van de aankoop door de zoons van een bepaald pand. Op 31 januari 2002 verkocht de vader het betreffende pand aan zijn zoons. In de leveringsakte was onder meer opgenomen dat de vader het pand leverde aan zijn zoons ter uitvoering van een eerder gesloten koopovereenkomst. De koopprijs van het pand bedroeg f 330.000 (€ 150.000). De koopprijs werd verrekend met de bedragen uit de schenkingsakte van 27 december 2001. De vader deed vervolgens afstand van de verplichting voor zijn zoons om het resterende bedrag van de koopprijs te voldoen. Dit was dus de tweede schenking van de vader aan zijn zoons. De vader en een van zijn zoons (die eiser is in onderhavige procedure) dienden vervolgens een aangifte voor het recht van schenking in. Daarbij gaven zij aan dat in 2001 een schenking had plaatsgevonden van f 75.000 (€ 34.033) en in 2002 van f 90.000 (€ 40.840). Bij de aangifte deden ze een beroep op de samenloopbepaling waarbij het schenkingsrecht mag worden verminderd met de overdrachtsbelasting. De berekening in de aangifte leidde tot een uitkomst waarbij het schenkingsrecht lager was dan de overdrachtsbelasting waardoor volgens hen geen schenkingsrecht was verschuldigd. De inspecteur weigerde echter de samenloopbepaling toe te passen. Naar zijn mening moest geen samenhang worden aangenomen tussen de schenking van 27 december 2001 en de overdracht op 31 januari 2002. Het was beleid van de belastingdienst dat bij een langere periode dan 14 dagen tussen de akte van schenking en akte van levering geen samenhang wordt aangenomen omdat dan niet meer gesproken kan worden van een ‘korte termijn’. Daarnaast stelde de inspecteur dat slechts de overdrachtsbelasting kan worden verrekend, die verschuldigd is over het schenkingsbedrag na aftrek van de van toepassing zijnde schenkingsrechtvrijstelling. De zaak kwam voor de rechtbank. De rechtbank merkte op dat de achtergrond van de wettelijke samenloopbepaling is om verschillende gevallen waarin materieel sprake is van een schenking van een onroerende zaak, gelijk te behandelen. Dat die materiële schenking zijn weerslag vindt in meerdere rechtshandelingen die op verschillende data waren verricht, doet aan de gelijkstelling niet af. Volgens de rechtbank heeft de samenloopbepaling niet alleen betrekking op de overdracht van een onroerende zaak tegen een te lage tegenprestatie, maar ook de overdracht tegen een reële tegenprestatie met kwijtschelding van de koopsom. Nu de akte van levering van 31 januari 2002 verwees naar de notariële akten van schenking van 27 december 2001, vond de rechtbank dat de zoon daarmee aannemelijk was gemaakt dat er een samenhang bestond tussen de rechtshandeling schenking en de rechtshandeling levering van het pand. Daardoor konden deze rechtshandelingen als één geheel worden beschouwd. De stelling van de inspecteur dat samenhang van rechtshandelingen slechts kan worden aangenomen als tussen de rechtshandelingen een korte termijn van niet meer dan 14 dagen is verstreken, vond evenmin genade bij de rechtbank. Tijdsverloop is niet doorslaggevend voor het al dan niet aannemen van een samenhang in gevallen als de onderhavige. De inspecteur kreeg wel gelijk op het punt van de verrekening van de overdrachtsbelasting met het schenkingsrecht. Eerst moet het van toepassing zijnde bedrag van de vrijstelling in het schenkingsrecht op het bedrag van de schenking in mindering worden gebracht. Vervolgens vindt een verrekening plaats van de overdrachtsbelasting met het schenkingsrecht. Over het gedeelte van de schenking dat is vrijgesteld van schenkingsrecht, is geen verrekening van overdrachtsbelasting mogelijk. De overdrachtsbelasting die wel kan worden verrekend, wordt aldus op basis van het niet-vrijgestelde gedeelte van de schenking berekend. Dit leidde ertoe dat de zoon na verrekening van overdrachtsbelasting met schenkingsrecht nog een bescheiden bedrag aan schenkingsrecht was verschuldigd. Bron: Rechtbank Haarlem, 31-5-2007, nr. 05/4377 (gepubliceerd 1-8-2007) en PricewaterhouseCoopers.
Wij zijn niet aansprakelijk te stellen voor onjuiste of onvolledige informatie die in de nieuwsartikelen vermeld staan; er zijn aan deze gegevens geen rechten te ontlenen. Uiteraard zijn de nieuwsartikelen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld.