
Newsfeed ophalen
Volg Smedema
De WOZ-waarde van bestaande woningen wordt veelal bepaald door vergelijking met soortgelijke onroerende zaken (referentieobjecten) die rond de waardepeildatum zijn verkocht. De verkoopprijs van deze referentieobjecten vormen dan namelijk een goede toets voor de vast te stellen WOZ-waarde. Verder geldt voor referentieobjecten dat deze representatief moeten zijn voor het te waarderen object.
Bungalowpark
Hof Leeuwarden heeft onlangs geoordeeld dat onder omstandigheden een verkoopprijs ook van belang kan zijn voor de WOZ-waarde als de betreffende verkoop ruim tweeënhalf jaar na de waardepeildatum heeft plaatsgevonden. Deze procedure betrof een stichting die een aantal op een bungalowpark gelegen recreatiewoningen bezat. De gemeente had voor deze recreatiewoningen de WOZ-waarde voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld, waarbij als waardepeildatum gold 1 januari 2008. Voor twee van deze woningen was de stichting het echter niet met de vastgestelde WOZ-waarde eens.
De gemeente had de door haar gestelde WOZ-waarden voor het kalenderjaar 2009 onderbouwd met een taxatierapport dat was opgesteld door een gecertificeerd WOZ-taxateur. Daarin werden de woningen van de stichting vergeleken met vier andere woningen die waren verkocht in de periode van 3 september 2007 tot en met 3 december 2008. Deze woningen stonden op hetzelfde bungalowpark als de woningen van de stichting. De stichting stelde dat de WOZ-waarde van de woningen lager moest worden vastgesteld. Ter onderbouwing van haar stelling wees de stichting op de verkoop van één van de woningen die tweeënhalf jaar na de waardepeilatum had plaatsgevonden.
Vergelijkbaar
Voor wat betreft de eerste woning die niet was verkocht oordeelde Hof Leeuwarden dat de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was. Daarbij hechtte het hof belang aan het feit dat de door de gemeente gebruikte referentiewoningen op hetzelfde bungalowpark waren gelegen en dat zij qua ligging en uitstraling vergelijkbaar waren met de woning van de stichting. Verder had de gemeente voldoende rekening gehouden met de kleinere oppervlakte van de woning van de stichting.
Voor wat betreft de tweede woning, die wel was verkocht, oordeelde het hof echter juist in het voordeel van de stichting. De gemeente had onder meer gesteld dat de verkooptransactie niet kon meewegen in de vaststelling van de WOZ-waarde, omdat de transactiedatum te ver verwijderd lag van de waardepeildatum van 1 januari 2008. Omdat er onweersproken een verkooptransactie was geweest ruim tweeënhalf jaar na de waardepeildatum, die de helft van de getaxeerde waarde bedroeg, mocht de gemeente daar volgens het hof niet aan voorbij gaan. De stichting had op haar beurt echter niet nader onderbouwd waarom de WOZ-waarde per 1 januari 2008 gelijk zou zijn aan de verkoopprijs die was overeengekomen op 27 augustus 2010. Het hof stelde de WOZ-waarde daarom uiteindelijk zelf in goede justitie op een lager bedrag vast.