Herbert Smedema
Herbert Smedema is één van de beëdigde NVM-makelaars en beëdigde taxateurs die ons kantoor telt. Herbert schrijft geregeld een column in de Maas- en Niersbode onder het kopje: Zakelijk actueel. Tevens volgt hij de ontwikkelingen op vastgoedgebied en bericht hierover op deze website.
Print
Vrijstellingen krachtens bestemmingsplannen
Categorie: Algemeen
Gepubliceerd: 1-09-2008
Vrijstellingen krachtens bestemmingsplannen
De Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt een aantal mogelijkheden om af te wijken van bepalingen van het bestemmingsplan. De meest gebruikte vrijstellingen zijn de volgende:
1. artikel 15 WRO: binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid2. artikel 17 WRO: tijdelijke (buitenplanse) vrijstelling3. artikel 19 WRO: permanente (buitenplanse) vrijstelling
Ad 1. Binnenplanse vrijstellingsmogelijkheidZie het hoofdstuk ‘Bestemmingsplannen’ voor de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid.
Ad 2. Tijdelijke vrijstelling Artikel 17 WRO biedt de gemeente de mogelijkheid om gedurende een termijn van maximaal vijf jaar af te wijken van een bestemmingsplan. In tegenstelling tot de vrijstellingsmogelijkheid van artikel 15 WRO betreft het hier een zogenaamde ‘buitenplanse’ vrijstellingsmogelijkheid. De gemeente kan niet zo maar gebruik maken van deze mogelijkheid. Het moet objectief vaststaan dat het bouwwerk niet langer dan vijf jaar in stand zal blijven. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat de tijdelijkheid van de vrijstelling voldoende en objectief is gewaarborgd.
De tijdelijke vrijstellingsmogelijkheid wordt bijvoorbeeld gebruikt bij winkels die, tijdens een grootschalige verbouwing, tijdelijk in een noodgebouw gevestigd moeten worden. Indien vaststaat dat deze verbouwing binnen een termijn van vijf jaar kan zijn afgerond, is de tijdelijkheid van de vrijstelling al snel aangetoond.
Ad 3. Permanente vrijstellingDe vrijstellingsmogelijkheid zoals deze is opgenomen in artikel 19 WRO wordt in de praktijk het meest toegepast. Artikel 19 WRO onderscheidt de volgende vrijstellingen:
a. artikel 19 lid 1: de zelfstandige projectprocedure;b. artikel 19 lid 2: projecten waarvoor Gedeputeerde Staten van de provincie reeds een ‘algemene verklaring van geen bezwaar’ hebben verleend;c. artikel 19 lid 3: de zogenaamde ‘planologische kruimelgevallen’.
De verhouding tussen de vrijstellingen op grond van artikel 19 lid 1, artikel 19 lid 2 en artikel lid 3 is de volgende.Eerst moet worden gekeken of de bouwvergunning met een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 3 kan worden verleend. Indien dat niet het geval is, dient beoordeeld te worden of het bouwplan valt onder de ‘algemene verklaring van geen bezwaar’ als bedoeld in artikel 19 lid 2. Indien ook artikel 19 lid 2 geen soelaas biedt, dient de vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 lid 1 gevolgd te worden. De vrijstellingsprocedure van 19 lid 3 geldt voor de minder ingrijpende afwijkingen (de ‘kruimelgevallen’) en artikel 19 lid 1 geldt voor de grotere afwijkingen van het bestemmingsplan.
Ad a. Artikel 19 lid 1 / zelfstandige projectprocedureDe vrijstellingsprocedure op grond van artikel 19 lid 1 WRO wordt toegepast voor doorgaans de meest ingrijpende afwijkingen van het bestemmingsplan. Indien de gemeente toepassing wil geven aan deze vrijstellingsmogelijkheid dient de motivering om vrijstelling te verlenen te gebeuren aan de hand van een ruimtelijke onderbouwing. In de ruimtelijke onderbouwing moet gemotiveerd worden waarom het project past in het desbetreffende gebied. Omdat het doorgaans ingrijpende afwijkingen betreffen van een bestemmingsplan, dient de provincie een zogenaamde ‘verklaring van geen bezwaar’ af te geven. De provincie heeft immers tot taak om in hoofdlijnen het provinciaal planologisch beleid te begeleiden en te waarborgen. Het duurt minimaal 9 maanden maar vaker anderhalf tot twee jaar voordat deze vrijstellingsprocedure is afgerond.
Ad b. Artikel 19 lid 2Gedeputeerde Staten publiceren een lijst waarop veel voorkomende projecten die niet vallen onder de reikwijdte van artikel 19 lid 3 worden vermeld (bijvoorbeeld antennemasten tot een hoogte van vijftien meter, realisering van functiewijzigingen van bestaande opstallen, het vergroten van bedrijfswoningen). Op deze manier kunnen bouwvergunningen en vrijstellingen sneller worden verleend, omdat voor de in de lijst genoemde gevallen geen verklaring van geen bezwaar hoeft te worden aangevraagd.
Ad c. Artikel 19 lid 3 Artikel 19 lid 3 WRO bepaalt dat voor een aantal ‘planologische kruimelgevallen’ de gemeente vrijstelling kan verlenen. De ‘planologische kruimelgevallen’ staan vermeld in artikel 20 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. Het betreft bijvoorbeeld een uitbreiding van een bijgebouw tot een maximum van 25 m². In de praktijk verleent de gemeente een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 3 WRO binnen vier maanden.
Zodra de vrijstelling is verleend, dient de gemeente, afhankelijk van de aard van de bouwaanvraag binnen vier of twaalf weken te beslissen op de bouwaanvraag. De vrijstelling wordt dan geacht deel uit te maken van de bouwvergunning. De gemeente kan echter ook alleen vrijstelling verlenen van de gebruiksbepalingen van een bestemmingsplan. Omdat een wijziging van gebruik niet bouwvergunningplichtig is, hoeft hiervoor geen bouwaanvraag te worden aangevraagd. In een dergelijk geval kunnen belanghebbenden wel bezwaar maken tegen alleen het vrijstellingsbesluit.
Wetgeving vrijstellingen per 1-12-2006
De vrijstellingsprocedures zijn neergelegd in de artikelen 15 tot en met 19a van de WRO. Hieronder volgt een artikelgewijze toelichting.
Artikel 15In een bestemmingsplan kan de gemeente binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden opnemen. Bij de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheden kan de voorwaarde worden opgenomen dat Gedeputeerde Staten toepassing van de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid vooraf moeten goedkeuren.
Artikel 17De gemeente heeft de mogelijkheid om voor een bepaalde termijn een vrijstelling van een bestemmingsplan te verlenen. Deze termijn bedraagt maximaal vijf jaar.
Artikel 18Indien de gemeente besluit om een tijdelijke vrijstelling te verlenen, legt de gemeente de aanvraag gedurende een termijn van zes weken ter inzage. Tijdens deze terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. De gemeente dient vervolgens binnen vier weken na afloop van de terinzagelegging te beslissen op de aanvraag.
Artikel 19Artikel 19 lid 1 bepaalt dat de gemeente ten behoeve van een project vrijstelling kan verlenen, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is ontvangen. Dit wordt de zelfstandige projectprocedure genoemd indien de vrijstelling niet gevolgd wordt door een aanpassing van het bestemmingsplan.Artikel 19 lid 2 bepaalt dat de gemeente vrijstelling van het bestemmingsplan kan verlenen voor projecten die vooraf door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd. De gemeente hoeft om gebruik te maken van deze vrijstellingsmogelijkheid geen verklaring van geen bezwaar meer aan te vragen. Artikel 19 lid 3 biedt de gemeente de mogelijkheid om voor ‘planologische kruimelgevallen’ vrijstelling te verlenen.
Artikel 19aDe aanvragen voor een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 1 en lid 2 worden voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Vervolgens dient de gemeente de aanvraag te sturen naar de provincie. Indien Gedeputeerde Staten de verklaring van geen bezwaar afgeven, wordt de aanvraag -vergezeld van de verklaring van geen bezwaar- gezonden aan de gemeente. Na ontvangst van de verklaring van geen bezwaar dient de gemeente te beslissen op de vrijstellingsaanvraag.
Artikel 20 Besluit ruimtelijke ordening 1985Voor de volgende kruimelgevallen is de gemeente bevoegd om op grond van artikel 19 lid 3 WRO vrijstelling te verlenen.
1 Voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de wet komen in aanmerking:
1a. een uitbreiding van of een bijgebouw bij:
1a.1 een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft:
1a.2 een woongebouw buiten de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en
1a.2a. het bruto-vloeroppervlak van de uitbreiding of het bijgebouw niet groter is dan 25 m2,
1a.2b de uitbreiding of het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag en gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 meter, en
1a.2c de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat het aansluitend terrein voor meer dan 50% bebouwd is, dan wel dat de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;
1a.3 een ander gebouw in de bebouwde kom, alsmede een ander gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:
1a.3a het aansluitend terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en
1a.3b de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden;
1b. een gebouw ten behoeve van een openbare nutsvoorziening, het openbaar vervoer of het wegverkeer:
1b.1 waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m2, en
1b.2 dat bestaat uit één bouwlaag en dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet niet hoger is dan 5m
1c. een bouwwerk, geen gebouw zijnde:
1c.1 waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25m2, en
1c.2 dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5m
1d. een kas of een bedrijfsgebouw van lichte constructie:
1 ten dienste van een agrarische bestemming, en
2 waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 100m2.
1e een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aanta; woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m2.
1f een antenne-installatie als bedoeld in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, in de bebouwde kom, mits de hoogte van de antenne, of indien de antenne is geplaatst op een antennedrager als bedoeld in dat besluit, de hoogte van de antennedrager en de antenne tezamen, gemeten vanaf de voet van de antenne, respectievelijk de antennedrager, niet meer is dan 40m.
2 Onder een gebouw als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan een gebouw als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Woningwet.
3 Onder een woongebouw als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder f, van de Huisvestigingswet.
Wij zijn niet aansprakelijk te stellen voor onjuiste of onvolledige informatie die in de nieuwsartikelen vermeld staan; er zijn aan deze gegevens geen rechten te ontlenen. Uiteraard zijn de nieuwsartikelen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld.