Nieuw / gewijzigd Woningen Bedrijfspanden
Gebruikersnaam:
Wachtwoord:
Login
Met deze functie kunt u zoeken binnen deze website. Schrijf u nu geheel vrijblijvend en kosteloos in als woningzoekende, klik hier.
Nieuws
Deze website is het laatst bijgewerkt op woensdag 23 mei 2012, 11.18
Herbert Smedema

Herbert Smedema

Herbert Smedema is één van de beëdigde NVM-makelaars en beëdigde taxateurs die ons kantoor telt. Herbert schrijft geregeld een column in de Maas- en Niersbode onder het kopje: Zakelijk actueel. Tevens volgt hij de ontwikkelingen op vastgoedgebied en bericht hierover op deze website.

Print dit artikel Print

Woonruimtevervangingsclausule in overeenkomst zakelijk recht van gebruik en bewoning bespaarde successierecht

Categorie: Algemeen
Gepubliceerd: 1-09-2008

Woonruimtevervangingsclausule in overeenkomst zakelijk recht van gebruik en bewoning bespaarde successierecht Als ouders op leeftijd hun woning onder voorbehoud van een recht van gebruik en bewoning aan hun kinderen verkopen en een van de ouders komt te overlijden, is in beginsel sprake van een ‘fictief erfrechtelijke verkrijging’. Voor de bepaling van de grootte van een fictief erfrechtelijke verkrijging is de inhoud van de overeenkomst tot vestiging van het (zakelijke) recht van gebruik en bewoning mede bepalend. Bijzondere clausules zoals een ‘vervangendewoonruimteclausule’ kunnen leiden tot een behoorlijke matiging van het verschuldigde successierecht. Dit blijkt uit een uitspraak van rechtbank Arnhem. In de betreffende procedure waren de ouders naar een andere woning verhuisd met toepassing van eerdergenoemde clausule. De rechtbank maakte uit de overeenkomst tot gebruik en bewoning op dat in civielrechtelijke zin sprake was van een ‘zaaksvervanging’. In zodanig geval mocht voor de berekening van het verschuldigde successierecht over de fictief erfrechtelijke verkrijging nog steeds worden uitgegaan van de gunstige lage waardering van de vorige woning op het moment van de vestiging van het gebruiksrecht. Volledig bericht De Successiewet onderscheidt naast echte erfrechtelijke verkrijgingen ook zogeheten fictief erfrechtelijke verkrijgingen. Laatstgenoemde situatie doet zich voor als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. - De verkrijger behoort tot een bepaalde kring van personen, zoals de echtgenoot en bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad (achterkleinkinderen en neven en nichten) of hun echtgenoten.- De verkrijger heeft in verband met een rechtshandeling waarbij de overledene partij was, iets ten koste van het vermogen van de overledene verkregen.- De erflater heeft tot aan zijn overlijden of een daarmee verband houdend tijdstip het genot van vruchtgebruik of een periodieke uitkering gehad, dat ten laste van de verkrijger is gekomen. De wettelijke regeling betreffende de fictief erfrechtelijke verkrijging werkt als volgt. Stel dat iemand tijdens zijn leven een aan hem toebehorend eigendomsrecht - van bijvoorbeeld een woning - heeft omgezet in een genotsrecht (vruchtgebruik) dat eindigt bij zijn overlijden. Als vervolgens deze persoon overlijdt dan behoort de woning niet meer tot zijn vermogen zodat de heffing van successierecht hierover in beginsel niet kan plaatsvinden bij de verkrijger van het vermogensbestanddeel. Om te voorkomen dat op deze wijze successierecht wordt ontgaan, wordt onder voorwaarden bij de verkrijger het vermogensbestanddeel toch aangemerkt als een fictief erfrechtelijke verkrijging. Op deze manier is heffing van successierecht mogelijk over de waarde van het vermogensbestanddeel. De verkrijger mag op de waarde van zijn verkrijging nog wel het bedrag dat de overledene heeft bedongen bij de omzetting in een genotsrecht - inclusief een interest - in aftrek brengen. Bovendien mag de verkrijger volgens een oud, maar nog steeds geldig ministerieel besluit uit 1964 de woning waarderen op de waarde ten tijde van het vestigen van het vruchtgebruik. Voor de bepaling van de grootte van een fictief erfrechtelijke verkrijging is de inhoud van de overeenkomst tot vestiging van het (zakelijke) recht van gebruik en bewoning mede bepalend. Bijzondere clausules zoals een ‘vervangendewoonruimteclausule’ kunnen leiden tot een behoorlijke matiging van het verschuldigde successierecht. Dit blijkt uit een uitspraak van rechtbank Arnhem. De zaak was vereenvoudigd weergegeven als volgt. Een echtpaar verkocht in 1992 het bloot eigendom van de eigen woning aan hun twee kinderen. Het echtpaar behield zich het zakelijk recht van gebruik en bewoning van de woning voor. De akte van levering en vestiging recht van gebruik en bewoning bevatte onder meer een vervangendewoonruimteclausule. Volgens deze clausule waren de kinderen verplicht mee te werken aan de verkoop van de huidige woning van de ouders als deze een andere woning wensten te betrekken. De opbrengst van de verkochte woning moest daarbij worden aangewend voor de aankoop van de nieuwe woning. De ouders zouden op de vervangende, nieuwe woning een soortgelijk levenslang recht van gebruik en bewoning verkrijgen. In het voorjaar van 2004 kochten de kinderen voor hun ouders een appartement. Daarbij werd nauwkeurig uitvoering gegeven aan de vervangendewoonruimteclausule. De leveringsakte van het appartementsrecht bevatte daarbij ook een verwijzing naar de vervangendewoonruimteclausule uit de akte van 1992. In 2005 overleed de vader van de kinderen. De inspecteur was van mening dat voor de berekening van de waarde van de fictief erfrechtelijke verkrijging niet mocht worden uitgegaan van de waarde van de oorspronkelijke woning, omdat zijns inziens het goedkeurende besluit uit 1964 niet van toepassing was op onderhavige situatie. Hij berekende de belaste erfrechtelijke verkrijging per kind op € 26.080. De kinderen-erfgenamen en hun moeder maakten bezwaar tegen het berekende bedrag van de belastbare verkrijging. De rechtbank maakte uit de feiten en omstandigheden op dat de oorspronkelijke woning in 2004 was vervangen door het appartement. In civielrechtelijke zin was sprake van ‘zaaksvervangin g’. Dat hield in dat het in 1992 gevestigde recht van gebruik en bewoning van rechtswege was overgegaan op het appartement. De rechtbank zag dit bovendien bevestigd in de verwijzing van de leveringsakte van 2004 naar de akte uit 1992. De rechtbank was daardoor van oordeel dat de regeling inzake de fictief erfrechtelijke verkrijging zowel op de oorspronkelijke woning als op het appartement van toepassing was. Aan alle voorwaarden voor een fictief erfrechtelijke verkrijging was voldaan. Vervolgens was in geschil over welke waarde van de woning het successierecht moest worden berekend. De kinderen stelden zich op het standpunt dat de waarde moest worden gesteld op de waarde van de oorspronkelijke woning op het tijdstip van de verkoop van het bloot eigendom (1992). Zij beriepen zich daarbij op het goedkeurende ministeriële besluit uit 1964. De inspecteur was van mening dat dit besluit niet van toepassing was, omdat de oorspronkelijke woning was verkocht en daardoor de continuïteit was verbroken. Hij nam de waarde van het appartement in 2005 als uitgangspunt. De rechtbank was van oordeel dat het ministeriële besluit wel van toepassing was en stelde de kinderen-erfgenamen op dit punt in het gelijk. Er was immers sprake van zaaksvervanging. De rechtbank berekende de belastbare erfrechtelijke verkrijging per kind-erfgenaam, op basis van de waarde van de oorspronkelijke woning in 1992, uiteindelijk op € 7.223. Bron: Rechtbank Arnhem, 16-8-2007, nr. 06/3797 (gepubliceerd 20-8-2007) en PriceWaterhouseCoopers.

Wij zijn niet aansprakelijk te stellen voor onjuiste of onvolledige informatie die in de nieuwsartikelen vermeld staan; er zijn aan deze gegevens geen rechten te ontlenen. Uiteraard zijn de nieuwsartikelen met de grootst mogelijke zorgvuldigheid opgesteld.